Joods Armenhuis in Leek
Momenteel is er sprake van dat Schreiershoek 26 verbouwd gaat worden tot 5 appartementen. Vroeger was op deze locatie het Joodse Armenhuis gevestigd. Een belangrijk onderdeel van het Joodse leven in Leek. En een goede reden om eens wat dieper in de geschiedenis te duiken van deze bijzondere plek.

Geschiedenis
De joodse gemeente in Leek telde in 1905 140 personen. Daarvan waren acht gezinnen, en dus 15 personen, bedeeld (arm). Dat was meer dan 10% van de joodse gemeenschap!
Het Israëlitisch kerkbestuur klaagde rond 1900 regelmatig over de armoede van de kille (de gemeenschap). Het feit werd benadrukt dat de meeste Leekster joden behoorden tot "de minder gegoeden". Misschien behoorden zij niet tot de allerarmsten, maar rijk waren ze evenmin.

De meest schrijnende armoede werd gevonden bij oudere Joden. Aan de Schreiershoek bleek in 1906 dat de kleine woningen van Noach van Dam (1824) en Salomon Levij (1826) "zeer slecht onderhouden" waren. Bij Levij moesten de muren en dak hersteld worden. Ook woning Noach van Dam was geen gezonde plek door het krioelende ongedierte.
Verderop woonde Johanna Wijnberg (1827) Zij was vele jaren lang één van de bekendste marskraamsters in Leek en omgeving. In
1906 bewoonde ze “een kamer met bedstee van ongeveer 3 bij 3 meter
onder een afdak, met ½-steens
buitenmuur". Haar woning, als dat al die naam mag hebben stond vaak blauw van rook, omdat er niet naar behoren gelucht kon worden. Deze oude mensen, en geliefde medeLeeksters, woonden dus in zeer ongezonde en onwaardige omstandigheden.
Dat kon niet zomaar? Zeker niet nu de welvaart toenam. In 1900 deed Renze Boonstra, hoofdonderwijzer van de lagere school in Tolbert, een dringend beroep de inwoners van Leek om Heiman Duitscher (1816) te hulp te komen. Heiman had zijn ouders Hester en Aront Duitscher liefdevol verzorgd tot hun overlijden in resp. 1853 en 1866. De veehandel had hem echter onvoldoende opgeleverd om van een onbezorgde oude dag te kunnen genieten, en hij had geen kinderen die voor hem konden zorgen.
Het vlammende betoog van meester Boonstra luidde als volgt:
“Ge kent hem, lezer. Gij hebt hem ontmoet op de groote wegen zoowel als op de kleine paden in den meest vergeeten achter-hoek, in den vroegen ochtend gelijk in den laten avond.
Maar waar ge hem ook aantroft en wanneer ook uw pad het zijne kruischte, - overal en altijd hadt ge steeds denzelfden Heiman voor u: steeds gereed tot het voeren van een prettig gesprek, altijd slagvaardig met zijne snaaksche gezegden, en immer met denzelfden glimlach om de lippen. Een glimlach - maar niet van zorgeloosheid! Integendeel: van den jeugd af aan is zijn lange leven eene voortdurende worsteling geweest. Hij grondvestte zelf geen gezin - een hoogbejaard oude-renpaar eischte al zijn kracht en al zijne zorg. En daarin is hij niet tekort geschoten. Moeite heeft hij niet ontzien, de elementen heeft hij niet gevreesd, den arbeid niet geschuwd en de trage rust niet gezocht. En wat is zijn loon geweest? "Ik heb" zegt Heiman, als hij spreekt over zijnen vader en zijne moeder zaliger, "ik heb eene oude schuld afgedaan en reken nu op een nieuw crediet". Mijn lezer, vindt ge dat niet een teekenend woord? Een woord van verheffende liefde. Nu is Heiman oud: 84 jaren reeds - en nog niet rijk! Ge begrijpt wat ik zeggen wil. Ge gevoelt wat er heerlijks ligt in het afdoen van eene oude schuld. Ge zijt met mij van meening, dat het wél mag gaan, hen, die hunne ouderen eeren. Gij weerspreekt het niet, dat grijsheid 's levens krone is, waar zij het hoofd siert van hem, die zulk een sprekend bewijs gaf van eerbied voor den ouderdom. Welnu, lezer, zet dan uw gevoelen om in een daad!"
Meubelfabrikant Siemon Aptroot, een bekende Leekster, nam de woorden van hoofdmeester Boonstra ter harte. Het was vooral aan zijn inspanningen te danken dat de joodse gemeente het geld bij elkaar kreeg om een eigen armhuis te bouwen. De chenoek (inwijding) van het gebouw vond plaats op 5 mei 1907.
De bewoners
Door de jaren heen hebben diverse Joodse Leeksters in het Armenhuis gewoond. Eén van de eersten was de 69-jarige Israël van
Hasselt, uit Nietap. Hij was al tijden lang "in alle opzichten hulpbehoevend", maar had nooit in een burgerlijk armhuis willen wonen, omdat daar niet werd gekookt volgens de joodse spijswetten.
In 1910 woonden de "armverpleegden" Noach van Dam, Heiman Duitscher, Salomon Levij, Hesther Oudgenoeg en
Hartog Rozendal in het armenhuis. Allen ouder dan tachtig jaar.
In 1937 was het armenhuis officieel geen armenhuis meer omdat er geen oude mensen woonden. Toch werd het nog steeds het armenhuis genoemd. Simon van Dam woonde er met zijn vrouw, Golda van Coevorden en hun zoontje de kleine Izaäk van Dam. Ook Simons moeder, Hester Oudgenoeg, woonde bij hen in. Ze waren arm, dus de naam armenhuis was nog steeds terecht.
In 1942 zijn deze laatste bewoners van Scheiershoek 26 uit hun huis gehaald, weggevoerd en vermoord. Hun Stolpersteine zijn de verdrietige getuigen hiervan.

Tegenwoordige tijd
En nu is het tijd voor een nieuwe bestemming van deze unieke locatie. De gemeente heeft ons beloofd dat er geen gevaar dreigt voor de Struikelstenen. Iets dat wij van harte hopen. Deze mensen en deze plek mogen namelijk niet vergeten worden.
Meer informatie over het armenhuis en haar Joodse bewoners vindt u op onze website en natuurlijk in ons museum.
Bronnen:
De Joodse Gemeenschap in het Groninger Westerkwartier, Peize en Roden - G.J. van Klinken | J.H. de Vey Mestdagh Stichting Vrienden v/h Rijksarchief in Groningen, 1987
Herdenken en hoop, een erfenis van veerkracht - Fenna van der Zwaag, 2025
Archief Museum het Joodse Schooltje